Create
Learn
Share

Psyg 5

rename
ecvanhuizen's version from 2016-02-14 17:46

Section 1

Question Answer
Psychomotorische vertraging:Stoornis in de psychomotoriek, gekenmerkt door de observeerbare traagheid van en gebrek aan bewegingen. Treedt op bij cognitieve stoornissen, schizofrenie en depressieve stoornissen.
Psychomotorische versnelling:Stoornis in de psychomotoriek, gekenmerkt door de observeerbare toegenomen snelheid van de bewegingen.
Retrograde amnesie:Stoornis in het retrograde geheugen, gekenmerkt door het onvermogen om de gedurende een bepaalde periode vóór een acute hersenaandoening (bijvoorbeeld een schedeltrauma of elektro- convulsieve therapie) opgeslagen gebeurtenissen op te roepen.
Rumineren:Stoornis in de inhoud van het denken, waarbij de patiënt voortdurend een al dan niet reëel probleem moet overpeinzen, wikken en wegen, zonder dat als regel een constructieve oplossing wordt bereikt (letterlijk 'herkauwen'). Treedt op bij obsessieve- compulsieve stoornis.
Stemmingscongruente wanen:Wanen die voor wat betreft de inhoud van de overtuigingen passen bij de stemming of het affect van de patiënt (bijvoorbeeld een Armoedewaan bij een psychotische depressieve stoornis).
Sociaal disfunctioneren:Gedrag dat inadequaat en soms schadelijk is voor de relatie van de patiënt met de buitenwereld, dat wil zeggen partner, gezin, werk, school en dergelijke. Voorbeelden zijn: zelfverwaarlozing, sociaal isolement, overmatige sociale activiteit en andere significante beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren of het functioneren op andere belangrijke terreinen.
Sociaalfobische symptomen:Vrees voor situaties, waarin de aandacht van andere mensen ertoe kan leiden dat men zich bekeken, uitgelachen of anderszins vernederd voelt, zoals spreken voor een gehoor of het gebruikmaken van een openbaar toilet.
Somatische angstequivalenten:Lichamelijke klachten en verschijnselen die symptomen (kunnen) zijn van een angststoornis.
Somatische wanen:Wanen die worden gekenmerkt door de overtuiging dat er lichamelijk iets ernstigs aan de hand is: Dysmorfe waan (een lelijke, ontsierende afwijking), Hypochondrische waan (een ernstige, dodelijke ziekte), Parasietenwaan (besmetting door een parasiet in of onder de huid) of Zwangerschapswaan. Diagnostisch criterium voor waanstoornis, treden ook op bij schizofrenie.
Specifiek fobische symptomen:Vrees voor een specifieke situatie of een specifiek object, zoals dieren, hoogten, storm, injecties, bloed, vliegtuigen, liften.
memorize

Section 2

Question Answer
Spraakarmoede:Stoornis in de gesproken taal (en vermoedelijk ook in de vorm van het denken), gekenmerkt door een beperkte hoeveelheid spontane gesproken taal, met korte en concrete antwoorden op vragen. Treedt op als negatief symptoom bij schizofrenie.
Stereotiep taalgebruik:Stoornis in de taalvorming (en mogelijk in de vorm van het denken), gekenmerkt door het voortdurend gebruik van dezelfde, wat eigenaardige woorden. Treedt op bij schizofrenie en bij autismespectrumstoornissen.
Stupor:Toestand van (vrijwel) complete bewegingloosheid en mutisme bij een schijnbaar helder bewustzijn. De ogen zijn open en lijken de gebeurtenissen te volgen. Treedt op als katatonie bij schizofrenie, kortdurende psychose, depressieve stoornis en paniekstoornis en als conversiestoornis en simulatie. Dikwijls is er echter een somatische oorzaak.
Suïcidepoging:Min of meer impulsief zelfbeschadigend gedrag teneinde een verandering in de psychische toestand of de levensomstandigheden te bereiken. Treedt op bij schizofrenie, depressieve stoornis- sen, angststoornissen, middelenmisbruik en persoonlijkheids- stoornissen.
Tachyfrenie:Versneld denken, zich uitend in versnelde spraak, met woorden. vloed (zie ook Gejaagd denken). Treedt op bij manie.
Tactiele astereognosie:Waarnemingsstoornis, gekenmerkt door het onvermogen om op de tast (met gesloten ogen) voorwerpen en dergelijke te herkennen Treedt op bij dementie.
Tangentialiteit:Stoornis in de samenhang van het denken, waarbij de patiënt als het ware steeds langs het onderwerp van de vragen van de psychiater heen praat. Hij lijkt de vraag wel te begrijpen maar gaat er niet op in en geeft een antwoord met een andere inhoud. (Vorbeireden). Treedt op bij schizofrenie.
Theatrale mimiek:Overdreven, nadrukkelijke, dramatische gelaatsuitdrukkingen. Treedt op bij theatrale persoonlijkheidsstoornis.
Theatrale gestiek:Overdreven, nadrukkelijke, dramatische gebaren. Treedt op bij theatrale persoonlijkheidsstoornis.
memorize

Section 3

Question Answer
Twijfelzucht:Stoornis in de inhoud van het denken, gekenmerkt door een zich opdringende, ongewenste, neiging tot twijfelen. Treedt op bij obsessieve-compulsieve stoornis.
Verbale perseveratie:Stoornis in de gesproken taal, gekenmerkt door het voortdurend herhalen van dezelfde woorden, gedachten of onderwerpen. Treedt op bij cognitieve stoornissen.
Verhoogd associatief denken:Stoornis in de samenhang van het denken, waarbij de gesproken taal voortdurend onderbroken wordt door nieuwe associaties. Diagnostisch criterium voor manie.
Verhoogde afleidbaarheid:Stoornis in de selectiviteit van aandacht waarbij de patiënt voortdurend wordt afgeleid door gebeurtenissen waar men normaal tijdens het psychiatrisch onderzoek niet op zou letten. Gaat meestal samen met een verhoogde waakzaamheid (Hypervigiliteit van de aandacht). Treedt op bij hypomanische, manische of angstige patiënten.
Vermijdingsgedrag:Sterke) inperking van (sociale) activiteiten, omdat de patiënt zoveel mogelijk probeer te voorkomen dat hij in een situatie geraakt, waarin de psychiatrische symptomen ondraaglijk zouden kunnen worden. Diagnostisch criterium voor fobische stoornissen.
Vingeragnosie:Waarnemingsstoornis, gekenmerkt door het onvermogen om bij intacte visus en sensibiliteit, vingers te benoemen die worden aangewezen. Treedt op bij cognitieve stoornissen.
Visuele agnosie:Waarnemingsstoornis, gekenmerkt door het onvermogen om voorwerpen te herkennen en te benoemen, terwijl de patiënt nog wel in staat is uiterlijke kenmerken of de functie ervan te beschrijven of het voorwerp kan benoemen na het (met gesloten ogen) betast te hebben. Diagnostisch criterium voor dementie.
Visuele inattentie:Waarnemingsstoornis, die blijkt uit het feit dat de patiënt visuele prikkels aan een (meestal de linker) zijde niet opmerkt. Treedt op bij cognitieve stoornissen.
Vlak affect:Stoornis in de expressie van het affect, gekenmerkt door een verminderd of nauwelijks moduleren met de emotionele betekenis voor de patiënt van het onderwerp dat aan de orde is. Treedt op bij schizofrenie en depressieve stoornis.
Vocale tics:Stoornissen in de gesproken taal, bestaande uit plotselinge, snelle, herhaalde, niet ritmisch optredende stereotiepe vocalisaties, die worden beleefd als ongewenst. Voorbeelden van eenvoudige vocale tics zijn: kuchen, keelschrapen, grommen, snuffen en blaffen. Een voorbeeld van een complexe vocale tic, die te beschouwen is als een dranghandeling, is Coprolalie. Diagnostisch criterium voor ticstoornissen.
Waanachtig denkbeeld:Stoornis in de inhoud van het denken, bestaande uit een denkbeeld dat in strijd is met de werkelijkheid, waarbij de patiënt echter een zekere twijfel ervaart of wat hij denkt ook echt waar is.
Wanen:Stoornissen in de inhoud van het denken, bestaande uit persoonlijke, fundamentele overtuigingen die in strijd met de werkelijkheid en oncorrigeerbaar zijn, ondanks afdoende bewijs van het tegendeel. De overtuigingen worden door anderen in de (sub)cultuur van de patiënt beschouwd als onmogelijk, ongeloofwaardig of onjuist. Het denken, de emoties en het gedrag van de patiënt worden er meestal sterk door beïnvloed. Zie Beïnvloedingswanen, Betrekkingswanen, Depressieve wanen, Grootheidswanen, Paranoïde wanen en Somatische wanen. Diagnostisch criterium voor schizofrenie, schizoaffectieve stoornis, waanstoornis.
memorize