Create
Learn
Share

Psychiatrische stoornissen

rename
ecvanhuizen's version from 2016-02-10 12:10

Section 1

Question Answer
Aandachthet objectief waar te nemen vermogen van de patiënt om zich te richten of gericht te blijven op een ervaring of activiteit waarmee hij bezig is of wil zijn. Men onderscheidt de vigiliteit (waakzaamheid, selectiviteit (gerichtheid) en de tenaciteit (vasthoudendheid) van de aandacht.
Abstractievermogenhet vermogen om te generaliseren, te classificeren en te combineren, en om bij het oplossen van problemen uit te stijgen boven een concrete feitelijke manier van denken.
Affectzichtbare en hoorbare expressie van de emotionele reactie van de patiënt op externe gebeurtenissen en interne stimuli zoals gedachten en herinneringen.
Affectieve functies:stemming, affect en bijbehorende somatische sensaties en verschijnselen.
Bewustzijntoestand van besef van zichzelf en de omgeving.
Cognitieve functies:bewustzijn, aandacht, concentratie, oriëntatie, intellectuele functies, geheugen, voorstelling, waarneming, zelfwaarneming en denken.
Conatieve functies:psychomotoriek, motivatie en gedrag.
Concentratiesubjectief ervaren vermogen om de aandacht geheel te kunnen (blijven) richten op de zaak waar men mee bezig is of wil zijn.
Denken:een doelgerichte, logisch geordende reeks voorstellingen, ideeën, symbolen en associaties op gang gebracht door een probleem of een taak en leidend tot een op de werkelijkheid gerichte conclusie. Men onderscheidt de vorm (tempo, efficiëntie, beloop en samenhang en de inhoud (‘denkbeelden’) van het denken. Het denken kan alleen worden afgeleid uit de gesproken taal.
Executieve functies:Het plannen maken voor en het initiëren, in samenhang en logische volgorde uitvoeren, controleren en stoppen van ingewikkelde handelingen. Voorwaarde voor intacte executieve functies goede aandacht, het vermogen om de aandacht te verplaatsen, een zeker abstractievermogen en een goed geheugen. Bij ernstige stoornissen kan de patiënt zijn verhaal niet organiseren, persevereert en kan niet ophouden met praten.
GedragHet totaal der waarneembare reacties van de patiënt op bepaalde situaties.
memorize

Section 2

Question Answer
GeheugenHet vermogen om nieuwe informatie op te slaan (anterograde geheugen) en oude informatie op te roepen (retrograde geheugen). Onderscheid wordt gemaakt naar informatie uit de biografie van de patiënt (episodisch geheugen), bekende belangrijke feiten op een terrein waar de patiënt in geïnteresseerd is of was zoals politiek, sport en televisie (semantisch geheugen) en impliciet geleerde activiteiten, zoals een muziekinstrument bespelen of autorijden (procedureel geheugen).
Gestiek:De uitdrukkingsbewegingen door middel van gebaren (zie Psychomotoriek).
IdentiteitDe relatief constante zelfwaarneming als uniek, van anderen onderscheiden, samenhangend en door de tijd herkenbaar.
Intellectuele functies:Oordeelsvermogen, ziekte-inzicht, abstractievermogen, executieve functies en intelligentie.
IntelligentieHet vermogen om kennis te vergaren en om deze vergaarde kennis op te roepen en op een rationele manier te gebruiken voor het oplossen van nieuwe situaties.
MimiekDe uitdrukkingsbewegingen van het gezicht.
MotivatieDe subjectief ervaren krachten die gedrag initiëren, stimuleren en richten.
OordeelsvermogenHet vermogen om (1) onderscheid te maken tussen de externe werkelijkheid en de eigen denkbeelden en fantasieën (realiteitsbesef), (2) eigen mogelijkheden en beperkingen in te schatten en passende doelstellingen te kiezen met daarbij geschikte en sociaal aanvaarbare middelen om deze doelstellingen te bereiken (zelfinschatting) en (3) de sociale situatie correct te beoordelen en, met uiterlijke waardigheid en fatsoen, passend bij die situatie te handelen (decorumbesef).
OriëntatieHet vermogen zichzelf te situeren in de tijd (chronologische oriëntatie), in de plaats (topografische oriëntatie) en ten aanzien van andere personen (interpersoonlijke oriëntatie) en de eigen persoon (persoonlijke oriëntatie).
PersoonlijkheidstrekkenLangdurig aanwezige, kenmerkende awaarop de patiënt zichzelf, anderen en gebeurtenissen interpreteert (cognities), waarop hij emotioneel reageert (affecten), waarop hij met anderen omgaat (interpersoonlijk functioneren) en waarop hij zijn impulsen beheerst (impulsbeheersing).
memorize

Section 3

Question Answer
PsychomotriekBewegingen die door psychische factoren of mechanismen worden veroorzaakt of gestuurd. Dit geldt vooral voor de bewegingen van lichaam, gelaat (mimiek), extremiteiten (gestiek) of spraakorgaan (spraak) die uitdrukking geven aan emoties.
Realiteitsbesef:Het vermogen om (1) onderscheid te maken tussen de externe werkelijkheid en de eigen denkbeelden en fantasieën (realiteitsbesef), (2) eigen mogelijkheden en beperkingen in te schatten en passende doelstellingen te kiezen met daarbij geschikte en sociaal aanvaarbare middelen om deze doelstellingen te bereiken (zelfinschatting) en (3) de sociale situatie correct te beoordelen en, met uiterlijke waardigheid en fatsoen, passend bij die situatie te handelen (decorumbesef).
SpraakDe psychomotorische handeling van het spreken en de wijze waarop iemand spreekt; tevens verstaat men hieronder ook wel de kenmerken van gesproken taal.
StemmingDe subjectief ervaren grondtoon van het gevoelsleven, waarop het waarneembare affect is gesuperponeerd. De stemming kan spontaan veranderen en heeft een zekere constantheid en duur, als regel ten minste uren en soms dagen, bij uitzondering maanden.
Voorstelling:Het voor de geest halen, oproepen in de fantasie. Het voorstellen vindt vrijwel continu plaats, vooral in de vorm van fantasie of dagdromen, en heeft overwegend, maar niet uitsluitend, een visueel karakter.
Waarneming:Het door middel van de zintuigen verkrijgen van informatie uit de omgeving en uit het eigen lichaam, waarbij materiele informatie wordt omgezet in psychische informatie.
Zelfinschatting:Het vermogen om (1) onderscheid te maken tussen de externe werkelijkheid en de eigen denkbeelden en fantasieën (realiteitsbesef), (2) eigen mogelijkheden en beperkingen in te schatten en passende doelstellingen te kiezen met daarbij geschikte en sociaal aanvaarbare middelen om deze doelstellingen te bereiken (zelfinschatting) en (3) de sociale situatie correct te beoordelen en, met uiterlijke waardigheid en fatsoen, passend bij die situatie te handelen (decorumbesef).
ZelfwaarnemingDe waarneming en de emotionele ervaring van de eigen persoon, als denkend, voelend en handelend individu, en van het eigen lichaam.
ZiektebesefDe mate waarin de patiënt beseft te lijden aan een psychiatrische stoornis.
Ziekte-inzichtDe mate waarin de patiënt besef heeft van de oorzaken van zijn psychiatrische stoornis en van de noodzaak hiervoor professionele hulp te zoeken en te aanvaarden. Het ziekte-inzicht blijkt uit de ziekteverklaring (de opvattingen die de patiënt heeft over de aard en de oorzaken van de psychische stoornis) en het ziektegedrag (de wijze waarop de patiënt (niet) handelt in reactie op de symptomen die hij ervaart).
memorize