Create
Learn
Share

Psychiatrie 2

rename
ecvanhuizen's version from 2016-02-10 12:18

Section 1

Question Answer
persoonlijkheidstrekken Cluster AAchterdochtig, prikkelbaar, snel gekwetst, rancuneus; afstandelijk, gesloten, weinigemotioneel, solitair; excentriek, zonderling, met vreemde spraak met eigenaardige denkbeelden.
persoonlijkheidstrekken Cluster BOnbetrouwbaar, leugenachtig, impulsief, agressief, roekeloos, gewetenloos; onbeheerst, impulsief, zich leeg voelend, overmatig idealiserend of afwijzend; theatraal, aandacht vragend, hyperemotioneel, oppervlakkig, suggestibel; arrogant, hooghartig, met grootheidsgedachten.
persoonlijkheidstrekken Cluster CTerughoudend, sociaal onhandig, geremd, contacten vermijdend, met gevoel tekort te schieten; onderdanig, afhankelijk, besluiteloos, passief, hulpeloos, met minderwaardigheidsgevoel; dwangmatig, detaillistisch, beheerst, controlerend, koppig, star, perfectionistisch.
Abasieonvermogen om te lopen. Meestal gebruikt om een pseudoneurologisch symptoom te beschrijven.
Verminderd abstractievermogen:stoornis in de intellectuele functies, gekenmerkt door een verminderd vermogen om te generaliseren, te classificeren en om bij het oplossen van problemen uit te stijgen boven een concrete feitelijke manier van denken. Diagnostisch criterium voor dementie.
Afasietaalstoornis, gekenmerkt door een verminderd vermogen om taal te spreken en/of gesproken taal te begrijpen. Diagnostisch criterium voor dementie.
Afhankelijkheid van een middel:misbruik van een psychoactief middel, gepaard gaande met tolerantie (steeds meer nodig voor hetzelfde effect), controleverlies (er moeilijk mee kunnen stoppen) onthoudingsverschijnselen en verslavingsgedrag (overmatig bezig zijn met het verkrijgen van het middel).
Afonieonvermogen om met geluid te spreken. Meestal gebruikt om een pseudoneurologisch symptoom te beschrijven.
Agnosiestoornis in de waarneming, gekenmerkt door het onvermogen tot het met de zintuigen herkennen van objecten, ondanks intacte zintuigfunctie.
memorize

Section 2

Question Answer
Depressieve wanen:Schuldwaan (de overtuiging dat de patiënt zijn plichten heeft verzaakt en anderen onrecht heeft aangedaan), zondewaan (de overtuiging dat patiënt gestraft wordt voor de grote zonden die hij heeft begaan) Armoedewaan (de overtuiging dat de patiënt niets bezit) Nihilistische waan (de overtuiging dat de patiënt zelf , zijn lichaam, zijn organen of de hele wereld niet (meer) bestaat). Treden op bij depressieve stoornis.
DerealisatieStoornis in de waarneming, gekenmerkt door een subjectief ervaren vrijwel steeds onaangenaam gevoel van vervreemding, verandering of onwerkelijkheid in de relatie van de patiënt ten opzichte van de omgeving. Het gevoel van vervreemding of verandering heeft nooit werkelijkheidswaarde voor de patiënt maar altijd een alsof- karakter. Diagnostisch criterium voor acute stress stoornis.
DesoriëntatieStoornis in het vermogen zichzelf te situeren in de tijd, in de plaats, ten aanzien van andere mensen en ten aanzien van de eigen persoon. Vaak het eerste symptoom van een cognitieve stoornis.
DisperceptieStoornissen in de waarneming, gekenmerkt door een afwijkende waarneming of ervaring van een extern object. De meeste dispercepties zijn visueel van aard en treden op bij stoornissen ten gevolge van somatische aandoeningen en hallucinogene drugs en bij schizofrenie,
DissimulerenKlachtenpresentatie, gekenmerkt door het opzettelijk minder erg doen voorkomen, met ter sprake brengen of zelfs ontkennen van een klacht of probleem, waarbij externe motieven de aanleiding vormen.
Dissociatieve amnesie:Geheugenstoomis, gekenmerkt door het onvermogen om zich belangrijke persoonlijke ervaringen te herinneren, die meestal van psychotraumatische aard zijn. Diagnostisch criterium voor dissociatieve stoornissen en voor acute stressstoomis
Dissociatieve identiteit:Stoornis in de zelfwaarneming, gekenmerkt door twee of meer identiteiten die door de patiënt ervaren worden als van elkaar te onderscheiden, en die geregeld zijn gedrag bepalen. Elke identiteit heeft zeer eigen kenmerken. Diagnostisch criterium voor dissociatieve identiteitsstoomis.
DranggedachtenStoornis in de inhoud van het denken, gekenmerkt door zich herhalende gedachten die de patiënt beleeft als egosyntoon (ik- eigen). Dranggedachten gaan gepaard met gevoelens van spanning, onlust of prikkelbaarheid en gaan vooraf aan dranghandelingen. Toch kan de patiënt ook genieten van zijn dranggedachtten voordat hij die in handelingen omzet, een zekere beheersing is mogelijk. Na verloop van tijd kan de dranghandeling met meer door de patiënt worden tegengehouden. Diagnostisch criterium voor drangstoornissen.
memorize

Section 3

Question Answer
Dranghandelingen, Drangmatig gedrag:Stoornis in motivatie en gedrag, gekenmerkt door egosyntone. Handelingen ( niet wezensvreemd voor de patiënt), waarnaar (vrijwel) voortdurend een innerlijk verlangen aanwezig is in de vorm van dranggedachten. Wanneer de neiging om de handeling te verrichten sterk wordt, ontstaat een gevoel van spanning of opwinding. Na het uitvoeren van de dranghandeling treden gevoelens van opluchting en ontspanning op. Daarna kan de betreffende persoon zich schuldig gaan voelen, zich schamen of gekrenkt zijn. Het gevoel van onbehagen dat daar weer het gevolg van is, kan op zichzelf leiden tot een hernieuwde aandrang als compensatie voor die ontstemming. Zo kan een vicieuze cirkel ontstaan. Voorbeelden zijn: parafiele handelingen, eetbuien, zelf- opgewekt braken, zelf veroorzaakt laxeren. Diagnostisch criterium voor drangstoornissen.
DwanggedachtenStoornis in de inhoud van het denken, gekenmerkt door zich herhalende gedachten die zich tegen de wil van de patiënt opdringen en die hij beleeft als egodystoon (niet-eigen) (obsessies). De patiënt kan ze niet of slechts met zeer grote inspanning van zich afzetten. Dwanggedachten zijn vrijwel altijd beangstigend en hebben vaak een sterk driftmatige inhoud in de zin van seksuele, agressieve, 'vieze' of anderszins sociaal onwenselijke gedachten en impulsen. Diagnostisch criterium voor obsessieve-compulsieve stoornis.
Dwanghandelingen, Dwangmatig gedrag:Stoornis in motivatie en gedrag, gekenmerkt door zich herhalende handelingen die tegen de wil van de patiënt in worden uitgevoerd en die niet-eigen (egodystoon) zijn (compulsies). De handelingen worden verricht om onacceptabele gedachten en wensen af te weren; wanneer ze niet kunnen worden uitgevoerd, dan leidt dit tot duidelijke angstgevoelens. Diagnostisch criterium voor obsessieve-compulsieve stoornis.
Dwangmatig piekeren:Stoornis m de inhoud van het denken, gekenmerkt door het aanhoudend zich opdringen van pijnlijke, onplezierige of onaangename gedachten, waaraan de patiënt zich met kan onttrekken en waarvan de emotionele betekenis niet in verhouding staan tot het onderwerp waarover wordt gepiekerd. Treedt op bi] (het begin van) depressieve stoornis, angststoomissen, dwangstoornis en hypochondrie.
DwangvoorstellingenStoornis in de voorstelling, gekenmerkt door zich herhalende beelden of levendige fantasieën die zich tegen de wil van de patiënt opdringen. Hebben verder dezelfde kenmerken als Dwang- gedachten.
Dysfore stemming:Stoornis in de stemming die kan worden omschreven met de termen ontstemd, wantrouwig, prikkelbaar, boos, kwaad of agressief.
Dysmorfe waan:Wanen die worden gekenmerkt door de overtuiging dat er lichamelijk iets ernstigs aan de hand is: Dysmorfe waan (een lelijke, ontsierende afwijking), Hypochondrische waan (een ernstige, dodelijke ziekte), Parasietenwaan (besmetting door een parasiet in of onder de huid) of Zwangerschapswaan. Diagnostisch criterium voor waanstoornis, treden ook op bij schizofrenie.
memorize

Section 4

Question Answer
EcholalieStoornis in de gesproken taal, gekenmerkt door het steeds herhalen van de laatste zinnen of woorden van de onderzoeker, ook als deze de patiënt vraagt dit niet meer te doen. Treedt op als katatonie bij schizofrenie en bij ticstoornissen.
EchomimieStoornis in de mimiek, gekenmerkt door het steeds nabootsen van de mimiek van de onderzoeker. Ook als deze de patiënt vraagt dit niet meer te doen. Treedt op als katatonie bij schizofrenie en bij ticstoornissen.
EchopraxieStoornis in de psychomotoriek. gekenmerkt door het steeds nabootsen van de bewegingen van de onderzoeker. ook als deze de patiënt vraagt dit niet meer te doen. Treedt op als katatonie bij schizofrenie en bij ticstoornissen.
EetbuiDrangmatig gedrag. gekenmerkt door het in beperkte tijd eten van grote hoeveelheden voedsel. Diagnostisch criterium voor boulimia nervosa.
Erotomane waan:Erotomane waan (de overtuiging dat een belangrijk iemand verliefd op de patiënt is), godsdienstwaan (de overtuiging dat patiënt een god is of ten minste een goddelijke opdracht heeft) en paranormale waan (de overtuiging dat de patiënt paranormale vermogens heeft). Diagnostisch criterium voor waanstoornis, treden ook op bij schizofrenie en manie.
Eurfore stemming:Stoornis in de stemming die omschreven kan worden als overdreven opgewekt of uitgelaten. Treedt op bij manie.
Executieve functies stoornissen:Stoornissen in het plannen maken voor en het initiëren, opeen volgen, controleren en stoppen van ingewikkelde handelingen Diagnostisch criterium voor dementie.
Expansief gedrag:Stoornis in motivatie en gedrag. gekenmerkt door opdringerig en overmatig mededeelzaam gedrag. Treedt op bij manie.
Fobische symptomenHardnekkige, niet redelijke angsten voor een bepaald voorwerp een bepaalde handeling of situatie, die leiden tot een dwingend verlangen om voorwerp, handeling of situatie te vermijden De patiënt erkent meestal dat het gevaar niet reëel is, maar is soms bang om door de angst of door een andere sterke emotie te worden overweldigd.
Gedachtearmoede:Subjectief ervaren stoornis in het beloop van het denken, waarbij de patiënt weinig invallen, gedachten en ideeën heeft, alsof zijn hoofd leeg is. Treedt op als negatief symptoom bij schizofrenie
memorize

Section 5

Question Answer
Gedachten belemmering:Beïnvloedingswaan waarbij de patiënt de overtuiging heeft dat de gedachten van buitenaf worden belemmerd. Treedt op bij schizofrenie.
Gedachten-inbrenging:Beïnvloedingswaan, waarbij de patiënt de overtuiging heeft dat zijn gedachten van buitenaf worden ingebracht. Treedt op bij schizofrenie.
Gedachtenluidworden:Beïnvloedingswaan. waarbij de patiënt de overtuiging heeft dat zijn gedachten luid hoorbaar opklinken. Treedt op bij schizofrenie
GedachtenonttrekkingBeïnvloedingswaan, waarbij de patiënt de overtuiging heeft dat zijn gedachten van buitenaf uit zijn hersenen worden onttrokken zodat er geen gedachten meer zijn. Treedt op bij schizofrenie
Gedachtestop:Subjectief ervaren stoornis in het beloop van het denken gekenmerkt door abrupte onderbreking in de gedachtestroom van de patiënt (blocking, Sperrung). Kan gepaard gaan met het gevoel en de overtuiging van Gedachtebelemmering. Treedt op bij schizofrenie.
Gedachte uitzending:Beïnvloedingswaan, waarbij de patiënt de overtuiging heeft dat zijn gedachten naar anderen worden overgebracht. Treedt op bij schizofrenie.
GedachtevluchtStoornis in de samenhang van het denken, zich uitend in het uitspreken van snel opeenvolgende invallen en gedachten, met een vermindering of verlies aan doelgerichtheid. Meestal kan de onderzoeker de gedachtevlucht nog wel volgen en is er dus geen sprake van Incoherentie. Diagnostisch criterium voor de manie.
Geheugenstoornissen:Het geheel of gedeeltelijk onvermogen om nieuwe informatie na enkele minuten reproduceren (anterograde geheugen) of om reeds opgeslagen ervaringen, gebeurtenissen en vaardigheden op te roepen respectievelijk tot uitvoering te brengen (retrograde geheugen; episodisch, semantisch of procedureel). Diagnostisch criterium voor dementie en amnestische stoornis.
Gejaagd denken:Subjectief ervaren stoornis in het tempo van het denken, waarbij de patiënt zelf een sterke versnelling van het denkproces ervaart. Zie ook Tachyfrenie. Diagnostisch criterium voor manie.
Geremd denken:Subjectief ervaren stoornis in het tempo van het denken, waarbij de patiënt een remming of stilstand van het denkproces ervaart. Zie ook Bradyfrenie. Treedt op bij depressieve stoornissen.
memorize