Create
Learn
Share

Psych 3

rename
ecvanhuizen's version from 2016-02-10 12:25

Section 1

Question Answer
GlobusgevoelHet gevoel alsof er een bolvormig voorwerp in de keel zit. Treedt op als somatische angstequivalent.
Godsdienstwaan:Erotomane waan (de overtuiging dat een belangrijk iemand verliefd op de patiënt is), godsdienstwaan (de overtuiging dat patiënt een god is of ten minste een goddelijke opdracht heeft) en paranormale waan (de overtuiging dat de patiënt paranormale vermogens heeft). Diagnostisch criterium voor waanstoornis, treden ook op bij schizofrenie en manie.
GrootheidswanenErotomane waan (de overtuiging dat een belangrijk iemand verliefd op de patiënt is), godsdienstwaan (de overtuiging dat patiënt een god is of ten minste een goddelijke opdracht heeft) en paranormale waan (de overtuiging dat de patiënt paranormale vermogens heeft). Diagnostisch criterium voor waanstoornis, treden ook op bij schizofrenie en manie.
Hallucinaties:Stoornissen in de waarneming, waarbij gewaarwordingen worden ervaren als zintuiglijke waarnemingen, terwijl er in feite geen externe prikkeling van het betrokken zintuig plaatsvindt. Ze zijn niet onderhevig aan de wil. Akoestische (gehoors)hallucinaties treden vooral op bij schizofrenie. Meestal betreft het stemmen, maar soms ook andere geluiden, zoals kloppen, fluisteren of muziek. Wanneer de patiënt opdrachten krijgt toegesproken, spreekt men van Imperatieve hallucinaties. Visuele (gezichts)hallucinaties treden op bij stoornissen door een somatische aandoening of middelen. Somatische hallucinaties worden onderscheiden in Tactiele (van de tast) en Viscerale (van de ingewanden) hallucinaties. Somatische hallucinaties treden op bij schizofrenie.
HerbelevingenZich tegen de wil van de patiënt geregeld opdringende herinneringen die kunnen bestaan uit Hallucinaties, voorstellingen, gedachten, dromen en flashbacks. Diagnostisch criterium voor posttraumatische stressstoornis.
HerhalingsstoornisTaalstoornis, waarbij een verminderd vermogen bestaat om woorden of zinnen na te zeggen. Treedt op bij dementie.
Hyperorexie:Stoornis in het gedrag, gekenmerkt door toegenomen eetlust Diagnostisch criterium voor depressieve stoornis.
Hypervigiliteit van de aandacht:Stoornis in de aandacht gekenmerkt door een verhoogde alertheid, waarbij de patiënt over het algemeen ook verhoogd afleidbaar is door gebeurtenissen in de omgeving waar men bij een medisch onderzoek normaal niet op zou letten. Treedt op bij manie.
Hypochondrische waan:Wanen die worden gekenmerkt door de overtuiging dat er lichamelijk iets ernstigs aan de hand is: Dysmorfe waan (een lelijke, ontsierende afwijking), Hypochondrische waan (een ernstige, dodelijke ziekte), Parasietenwaan (besmetting door een parasiet in of onder de huid) of Zwangerschapswaan. Diagnostisch criterium voor waanstoornis, treden ook op bij schizofrenie.
Hypotenaciteit van de aandacht:Stoornis in de aandacht, gekenmerkt door een verminderd vermogen tot vasthouden van de aandacht bij het onderwerp. Diagnostisch criterium voor delirium, treedt op bij manie.
memorize

Section 2

Question Answer
Hypovigiliteit van de aandachtStoornis in de aandacht gekenmerkt door het verminderd vermogen om de aandacht op iets nieuws te richten en van onderwerp te veranderen. Diagnostisch criterium voor delirium.
Ideatorische apraxie:Stoornis in de (psycho)motoriek, gekenmerkt door het onvermogen om een korte, samengestelde reeks handelingen te verrichten, bij intacte motoriek, sensibiliteit en coördinaten en bij goed begrip en volledige coöperatie van de patiënt. Treedt op bij afasie en dementie.
Ideomotorische apraxie:Stoornis in de (psycho)motoriek, gekenmerkt door het onvermogen om op verzoek een handeling uit te voeren of na te bootsen, bij intacte motoriek, sensibiliteit en coördinatie en bij goed begrip en volledige coöperatie van de patiënt. Diagnostisch criterium voor dementie.
Illusoire vervalsing:Stoornis in de waarneming, meestal onder invloed van emotie of fantasie, gekenmerkt door een kortdurende foutieve zintuiglijke waarneming van een werkelijke externe prikkel (ook: illusie).
Impulsief gedrag:Kortdurende handeling die geheel onverwachts, plotseling en snel wordt uitgevoerd, zonder eerst de eventuele schadelijke gevolgen te overwegen en zonder voorafgaand wilsbesluit. Impulsief gedrag kan ontstaan door zich ophopende spanningen bij een angstige of agressieve stemming. Voorbeelden zijn: automutilatie en suïcidepogingen. Diagnostisch criterium voor antisociale persoonlijkheidsstoornis en borderlinepersoonlijkheidsstoornis.
Inadequaat affect:Stoornis in de expressie van het affect, waarbij de gevoelsuitingen niet passen bij de omstandigheden waarin de patiënt verkeert en bij zijn gedachten en handelingen. Treedt op bij schizofrenie.
IncoherentieStoornis in de samenhang van het denken, gekenmerkt door het volledig ontbreken van logische of begrijpbare samenhang in wat de patiënt zegt. De patiënt spreekt in gefragmenteerde gedachten, zinnen en zinsdelen. Treedt op bij cognitieve stoornissen en schizofrenie.
Inefficiëntie van het denken:Subjectief ervaren stoornis in het beloop van het denken, gekenmerkt door het onplezierige gevoel niet helder meer te kunnen denken, niet meer tot een besluit te kunnen komen, doelloos in een kringetje te denken. Diagnostisch criterium voor depressieve stoornis.
Initiatiefverlies:Stoornis in motivatie en gedrag, gekenmerkt door vermindering van het zelfstandig komen tot motorische activiteit en handelingen. Treedt op als negatief symptoom bij schizofrenie.
Interesseverlies:Stoornis in de stemming, gekenmerkt door een vermindering van de belangstelling voor allerlei activiteiten of gebeurtenissen. Diagnostisch criterium voor depressieve stoornis.
memorize

Section 3

Question Answer
KatalepsieKatatone bewegingsstoornis, waarbij spontaan langdurig ongewone lichaamshoudingen, zoals het hoofd enkele centimeters boven het kussen, worden volgehouden (posturing).
KatatonieDe verzamelnaam voor doorgaans bizarre motorische stoornissen die vroeger karakteristiek waren voor een zeldzaam subtype van schizofrenie, doch tegenwoordig vaker voorkomen bij andere psychiatrische stoornissen. Zie Echolalie, Echomimie, Echopraxie, Katalepsie, Motorisch negativisme, Motorische oppositie, Mutisme en Stupor.
Kledingapraxie:Stoornis in de (psycho)motoriek, gekenmerkt door het onvermogen om zichzelf aan en uit te kleden, bij intacte motoriek, sensibiliteit en coördinatie en bij goed begrip en volledige coöperatie van de patiënt. Diagnostisch criterium voor dementie.
Labiel affect:Stoornis in de modulatie van de expressie van het affect, waarbij dit herhaald op een abrupte manier wisselt, terwijl er geen of geen duidelijke externe aanleiding voor is.
Lethargie:Stoornis in motivatie en gedrag die wordt gekenmerkt door volledige ongeïnteresseerdheid en sloomheid, doorgaans ten gevolge van een Bewustzijnsdaling. Diagnostisch criterium voor de 'stille' vorm van het delirium.
LichaamsbelevingStoornis in de Ongegronde ongerustheid en onvrede over een vermeende afwijkingen met name dik-zijn) van het lichaam als geheel. Diagnostisch criterium voor anorexia nervosa. Stoornis
Links-rechtsagnosieStoornis in het herkennen van links en rechts aan het eigen lichaam. Treedt op bij cognitieve stoornissen.
Misidentificatie:Illusoire vervalsing, waarbij de patiënt een hem bekende persoon voor een ander aanziet.
Morfodysforie:Stoornis in de lichaamsbeleving, gekenmerkt door een overwaardige ongegronde ongerustheid en onvrede over een vermeende afwijking aan het lichaam of van een lichaamsdeel (vroeger: dysmorfofobie).
Motorisch negativisme:Katatone bewegingsstoomis, waarbij de patiënt de tegengestelde handeling uitvoert van die hem gevraagd wordt, of helemaal niet doet wat hem gevraagd wordt. Treedt op bij schizofrenie.
memorize