Create
Learn
Share

Nederlands

rename
sabolaju's version from 2016-08-02 12:42

Section

Het geld L’argent
Het zakgeld L’argent de poche
Uitgeven aan

Spenderen aan Dépenser à

Sparen Epargner, économiser
Het bedrag Le montant
De uitgave (zware uitgave) La dépense (lourde/grosse dépense)
De rekening
(geld OP een rekening zetten) Le compte
(déposer l’argent DANS un compte)
Beheren Gérer
Kopen (kocht-gekocht) Acheter
Geld verdienen Gagner de l’argent
Toekomen MET (kwam toe-toegekomen)

Rondkomen Joindre les bouts/boucler le mois

Lenen => de lening Emprunter (et aussi prêter) => le prêt/crédit
Huren Louer
Tweedehands D’occasion
De economische crisis La crise économique
Gierig zijn Etre avare
De schuld La dette
Mijn geld is op Je n’ai plus d’argent
Rijk >< arm Riche >< pauvre
Het geschenk Le cadeau
Het wisselgeld La monnaie
Het loon Le salaire
De uitgavenpost Le poste de dépense
Wekelijks = elke/iedere week
Maandelijks = elke/iedere maand Hebdomadaire/chaque semaine
Mensuel/chaque mois
Het budget = de begroting (alleen maar voor een bedrijf of een land) Le budget
De benzine L’essence
De verzekering => verzekeren L’assurance => assurer
Het abonnement L’abonnement
De studiebeurs = de studietoelage La bourse d’étude
Het onderhoud => onderhouden L’entretien => entretenir
De herstelling La réparation
Herstellen = repareren réparer
De boete L’amende
De kosten = de lasten Les frais
Het huishoudproduct Le produit d’entretien
Het verzorgingsproduct Le produit de soin
De kledij= de kleding = de kleren Le vêtement
De was, schoonmaak, strijk La lessive, le nettoyage, le repassage
De geneesmiddelen = de medicijnen Les médicaments
Het lidgeld La cotisation
Het tijdschrift = Het magazine Le magazine
Het vervoer Le transport
De sigaret La cigarette
De kapper Le coiffeur
Geld over hebben Rester de l’argent
De uitkering L’allocation
Regelmatig Régulièrement
Opruimen Ranger
Het gras maaien Tondre la pelouse
De bijzondere gebeurtenis La grande occasion
Iemand trakteren OP Offrir/payer qqchose à qq’un
Terugbetalen Rembourser
Vragen OM iets Demander (dans le but d’obtenir)
Nuttig >< nutteloos Utile >< inutile
Verstandig Raisonnable
De maatregel La mesure
De waarde La valeur
Af en toe = soms De temps en temps /parfois
Niet kijken OP Ne pas faire attention à
Hij heeft een gat(gaatje) in de hand L’argent lui file entre les doigts
Achtervolgen Poursuivre
Merken Remarquer
De gewoonte L’habitude
Het gedrag Le comportement
Van de ene dag op de andere Du jour au lendemain
De tip Le conseil, le tuyau
De brievenbus La boîte aux lettres
Leegmaken Vider
Ga je gang ! Vas-y !
Voorbijgaan Passer
De haast
Haast en spoed zijn zelden goed La hâte, la précipitation
La hâte est mère de l’échec
De luiheid => lui La paresse => paresseux
De belasting L’impôt
Het doktersbriefje L’attestation du médecin
Geldig Valable, valide
Vrezen Craindre
De vuilbak = vuilnisbak La poubelle
Iets IN voorraad hebben Avoir qqchose en stock
Voor de zekerheid Pour être sûr
Gevuld Rempli
Het lijstje La liste
De (boodschappen)kar Le caddie
Het (boodschappen)mandje Le panier (à provisions)
Rustig = kalm Tranquille, tranquillement
Vermoeiend Fatiguant
Genieten VAN Profiter de
Tanken => de tank Prendre de l’essence => le réservoir
Het tankstation La pompe à essence
Vlaanderen => De Vlaming => Vlaams La Flandre => le flamand => flamand
Wallonië => de waal => Waals La Wallonie => le wallon =>wallon
Brussel =>de Brusselaar(s) => Brussels Bruxelles => le bruxellois => bruxellois
Vaak, vaker, het vaakst Souvent, plus souvent, le plus souvent
Volgens Selon
De leeftijd L’âge
Het middel Le moyen
Het gemiddelde La moyenne
Gemiddeld En moyen
Het gezin La famille
In het bijzonder En particulier
Het gaat OM/OVER Il s’agit de
De koopkracht Le pouvoir d’achat
De aankoop L’achat
De reden (pl = REDENEN !) La raison
De inkomsten (tjs pluriel) Les revenus
Het inkomen Le revenu (d’une personne/ entreprise)
De bron van inkomen/inkomsten La source des revenus
Uitstellen Remettre/reporter dans le temps
Het schuldgevoel Le sentiment de culpabilité
Tijd doorbrengen Passer du temps
Verantwoordelijk Responsable
Het leerhulpmiddel L’aide d’apprentissage
Opvatten Interpréter
Noodzakelijk Nécessaire
De drank => drinken (dronk-gedronken) Les boissons => boire
Verscheiden Divers
Omgaan met geld Gérer l’argent
Beperkt Limité
Vergemakkelijken Faciliter
Bewust >< onbewust Conscient >< inconscient
Blut zijn Être fauché/à sec
Blij zijn MET Être content de qqchose
De bankrekening Le compte bancaire
De zichtrekening Le compte à vue
De spaarrekening Le compte d’épargne
Geld storten Verser de l’argent
De gelegenheid L’occasion
Genieten VAN (genoot-genoten) Bénéficier/jouir de
De rentevoet Le taux d’intérêt
De permanente opdracht L’ordre permanent
Opnemen (nam op-opgenomen) Prélever (d’un compte)
Geld afhalen Retirer de l’argent
De dwang La contrainte
Koopziek zijn (ik ben koopziek) Être dépensier
De geldverspiller Le dépensier
In het rood staan Être en négatif
Het bedrag La somme (d’argent), le montant
Oppassen Faire attention
De bankautomaat Le distributeur de billets
Het warenhuis = de supermarkt Le supermarché
De handelszaak Le commerce (magasin)
De eigenaar Le propriétaire
De begunstigde Le bénéficiaire
De mededeling La communication
De vervaldatum La date d’expiration/ de péremption
De opdrachtgever Le donneur d’ordre
Inbegrepen Compris, inclus
De bankverrichting L’opération bancaire
Uitvoeren Exécuter
Wensen Souhaiter
Het spaarboekje Le livret d’épargne
De basisrente Le taux de base
Beschikbaar >< onbeschikbaar Disponible >< indisponible
Overschrijven Transférer, virer
De overschrijving Le virement
Volledig >< onvolledig Complètement >< incomplet
Veilig >< onveilig En sécurité >< pas en sécurité
Opbrengen Rapporter
Eenvoudig >< ingewikkeld Simple, facile >< compliqué
Het loket Le guichet
De openingsuren Les heures d’ouverture
De mogelijkheid La possibilité
bereikbaar Accessible, joignable
Ontvangen (ontving-ontvangen) Recevoir
De kredietkaart La carte de crédit
Aanvragen (vroeg aan-aangevraagd) Demander, faire la demande
Handig Pratique
In het buitenland À l’étranger
Beveiligen
Op een beveiligde manier Sécuriser
De façon sécurisée
Leveren => de levering Livrer => la livraison
(Aan)bieden (bood-geboden) Offrir
De internetaansluiting La connexion internet
Toegankelijk >< ontoegankelijk Accessible >< inaccessible
Steunen Soutenir
De getrouwheidspremie Prime de fidélité
De beheerkosten Frais de gérance
Ononderbroken Sans interruption
Bankieren = bankverrichtingen uitvoeren Effectuer des opérations bancaires
Het internetbankieren Faire des opérations bancaires via internet
Het kruisje La petite croix
Afmelden Se déconnecter
Een verschil uitmaken Faire une différence
De hoek => de rechter bovenhoek Le coin => le coin supérieur droit
De deskundige = de specialist Le spécialiste
Toegang hebben TOT Avoir accès à
Inbreken (brak in-ingebroken) Entrer en effraction
Een computer afsluiten/afzetten Éteindre
Het uittreksel = het (bank)afschrift L’extrait de compte
Kosten aanrekenen Compter des frais
Raadplegen Consulter
De hacker Le pirate (d’ordinateur)
Kraken => de kraak = de inbraak Pirater => la casse
De website Le site internet
Het gevolg => gevolgen hebben VOOR La conséquence => avoir des conséquences
De klant Le client
Wijzen OP (wees-gewezen) Indiquer
Het gebrek (aan) Le manque
De beveiliging = de bescherming La protection
De toegang TOT L’accès à
Erkennen Reconnaitre, admettre
Een klacht indienen Déposer une plainte
Stelen (stal-gestolen) Voler (qqchose)
Het bezoek => bezoeken (bezocht-bezocht) La visite => visiter
Het gevaar => gevaarlijk Le danger => dangereux
Gelden (gold-gegolden) Valoir
De opzegtermijn Le délai d’annulation
De gegevens Les données
Toelaten (liet toe-toegelaten) Permettre
Verplicht zijn Être obligé
Het gaan (geen) kwaad Ca (ne) peut mal
De bedrieger => bedriegen (bedroog-bedrogen) Le trompeur, l’arnaqueur
Klagen OVER Se plaindre de
Het postbusadres La boîte postale
Bestellen => de bestelling Commander => la commande
Het optreden La représentation/le concert
Het tweedehands product Le produit de seconde main
De waarborg La garantie
De werkdag(en) Le jour ouvrable
Een vakje aanvinken Cocher une case
Doorverkopen revendre
Het belkrediet Le crédit d’appel
Op zijn Être épuisé (avoir tout dépensé)
Het paswoord Le mot de passe
Tips geven Donner des conseils/conseiller qqun
Op de zenuwen werken Taper sur les nerfs
Belachelijk Ridicule
Iemand lastig vallen (viel-gevallen) Déranger qqun
Zich vergissen => de vergissing Se tromper => la tromperie
Het scherm L’écran
Overwegen (insep!!) Considérer
Namelijk Notamment
Bovendien En outre, de plus
Geweldig Excellent
Voorzien (insep!!) Prévoir, pourvoir à, fournir
Zich aansluiten BIJ S’affilier à
Helder Claire
Het bushokje L’abribus
Het toetsenbord Le clavier
Het oppervlak La surface
De knop Le bouton
Overeenstemmen MET Correspondre à
Wennen => de gewenning aan S’habituer => l’habitude à
De berg La montagne
Vergeten Oublier
Zat = dronken bourré
Afzetten >< aanzetten Éteindre >< allumer (pour appareils)
Het strand La plage
Ontdekken (insep!!) découvrir